Aurora Borealis

Als kind in Friesland sliep ik onder een wollen deken.
Op de hoek van die deken was een label genaaid met daarop een afbeelding een sneeuwlandschap met een rendier met een imposant gewei. Daarachter gespannen
een slee hoogopgeladen met warme dekens en daartussen
heel comfortabel een kindje. Dit hele tafereel beschenen door het noorderlicht, in vele kleuren in de hemel.
Ik had het stiksel een stukje losgepeuterd om aan de achterkant uit te vinden waar die kleuren vandaan kwamen. De lange en felgekleurde draden maakten alles nog raadselachtiger. (Later wordt ons kennis gegeven, in ruil voor ons geloof in wonderen , en het is natuurlijk de kunst die wonderen te heroveren). Ik moest er altijd even naar kijken, al kon ik de tekst nog niet lezen.

Later woonde ik in Canada en zag ik voordat ik ging slapen door de kanten gordijntjes het echte noorderlicht.
Of we hadden buiten in de sneeuw een feest, als 17,18 jarigen, met veel lawaai uit de autostereo, een groot vuur, en daarboven het dansende noorderlicht, en geen flauw idee hoe geweldig je het eigenlijk wel niet hebt.

Jaren later tijdens een heldere augustusavond, als de
nachten op Öland al weer donker worden, liggen we buiten onder warme dekens. We speuren de sterrenhemel af naar vallende sterren, opeens verschijnt de aurora als een cirkel aan de horizon, en danst als een vergeten gewaande herinnering mijn leven in.

Zo is de serie Aurora Borealis geboren.


En na de donkerste nacht,
stolde de vloeibare duisternis,
en brak in duizend regenbogen mijn wereld door.
In het licht van de dageraad werd ik je gewaar.
Je stond naast me,
al die tijd al.
En nu, nu als vandaag de zon weer ondergaat,
dan blijven we samen wakker,
groeten we zuster Maan, dansen we met het noorderlicht en vertellen onze verhalen
En nu, nu kunnen we navigeren op de helderheid van die ene ster,
Zij die zelden genoemd wordt.
 


 C.O. Jellema

AURORA BOREALIS

Hoe het begon – een haast onmerkbare verkleuring,
een wolkje als eens mans hand, maar nu niet
opstijgend uit de zee, van ergens in de lege,
ijskoude poolnacht boven ons tussen de sterren
een plek. We keken ervan op, zo anders dan
boven de wegkruisingen thuis een neongloed,
en vreemd, we zagen er de sterren nog doorheen.
Snel groeide dan die vlek uit tot een brede,
de ruimte overspannende geelgroene band,
zich rekkend, omkrullend, wentelverwaaiend
een baaierd die geen licht gaf, het licht was,
een stralensluier die het duister duister liet.
Het greep ons aan, kan ik je wel vertellen, wij,
in onze warmste kleren, hielden het niet uit
te blijven staan en, liggend op het achterdek
- het schip voer rustig tussen kust en eiland door -
dachten ‘zijn is de ziel, is naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht’ misschien.

Noem het ontzag voor wat we zagen voor het eerst,
een beetje werden we toen kind, voor ons gevoel
was onze aarde weer plat vlak waarop de zee,
de rotskust en het eiland hoedend overwelfd
door weer de hemeltent, een koepel die het schijnsel
doorliet van gene zij, en wat wij wisten over
geladen deeltjes afgestoten door de zon,
over de poolmagneetkracht, gloeiend dampkringgas,
werd spoorloos in ons kijken uitgewist. Nee, foto’s
heb ik niet willen maken, want geen sluiter, denk ik,
hoe lang ook open vangt een lichtgeboorte zo
in den beginne op, je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp. - Tijd vliet,
hier wordt het lente nu, narcissen bloeien, knoppen
van de kastanjes zwellen; soms bewaart één uur
een lengte levenslang, zoals daar ’s nachts aan dek
dat stervenskoude onder ontelbare sterren
met toen dat licht, en wij, ziende hoe het begon.

Uit: STEMTEST, 2003